Kappersverdriet

In Huizen kan je op maandag niet naar de kapper. Dat weet ik, want we hebben het geprobeerd. Oudste moest nodig een keer onder handen worden genomen om die lange uitgegroeide lokken weer in een soort van model te brengen. En ach, bij mijn eigen haar kan het ook geen kwaad. Dus gingen we samen op weg naar de kappers van Huizen. Die dus op maandag collectief vrij zijn. Waarschijnlijk wassen ze elkaars haar, of wisselen ze de laatste roddels uit. 

Er zijn heus wel een paar noeste knippers die de eer van de kapperswereld hoog houden. Maar omdat ze met zo weinig zijn, staan er lange rijen mensen met onfortuinlijk haar die allemaal (net als wij) op harde ongezellige bankjes wachten tot ze aan de beurt zijn. En omdat dochter en ik heus ook nog wel andere dingen te doen hebben dan te wachten op een kapper, verlagen we ons tot de allerlaagste kaste der kappers en stappen we bij de Cosmo naar binnen.

De Cosmo, zo moet je weten, bleek een oase van rust. Een hele lege ruimte vol afwachtende kapperstoelen en ongebruikte handdoeken keurig gevouwen in de kast. De potjes en flesjes netjes op volgorde in de kast. Achter in de zaak piept de deur open naar de kantine. Het minst knappe kappertje steekt haar hoofd buiten de deur, bekijkt ons kritisch en doet de deur snel weer dicht. Een meisje loopt zichtbaar balend de lege zaak in, snel het laaste hapje van haar kipkerrie-broodje wegknagend. Ze loopt naar het Grote Afspraken Boek en vraagt ons waarvoor we komen. "Nou", zeg ik vriendelijk, "mijn dochter moet even geknipt worden". "Dat kan", zegt ze stellig, "over twintig minuten". Ik kijk om me heen; het is echt niet omdat de hele zaak stampvol zit, of omdat het logisch is dat binnen nu en 2 seconden veertig mannen hun snor willen laten 'groomen'.

Ik kijk haar aan. "Kan het niet nu? Het is niet bijzonder druk". Het meisje kijkt me aan alsof ik haar zojuist het meest ranzige voorstel ooit heb gedaan. Iets met een ananas en de voorhoede van Ajax. "Nee", verklaart ze ijskoud, "nu kan het niet. We zitten te lunchen". 

Linde kijkt me aan. 'Seriously???' zeggen haar ogen. Ik kijk de kapster aan "Seriously?" vraag ik haar. "Meen je dat echt?" Het meisje is beslist. De lunch is heilig voor de kapsters van Huizen. Heiliger dan betalende klanten, obviously. 

We lopen naar buiten.

Voor de Cosmo in Huizen maken we een geheel nieuwe kaste aan. Die van de altijd-keihard-voorbij-lopen.

Zeldzaam.

Huis-Tuin-en-HEMA-hel

Het allerergste geluid van de hele wereld is met afstand de wekker. Ik geloof dat het geluid van de gewone huis-tuin-en-hema-wekker is ontworpen door brute oostbloksadisten met maar 1 doel: de hele wereld zo chagerijnig mogelijk aan de dag laten beginnen, dat ze denken dat ze in het oostblok beter af zijn. Grauwe flats als paradijs; het complot zit briljant in elkaar.

Het allerergste wekkergeluid van het universum is de wekker van de buren. De wekker is buiten bereik, maar het lijkt of iemand 'm tegen je oor drukt. En dan, dat is het opvallende, heeft de buurman altijd nachtdienst en doet hij zijn wekker nooit uit. Een onverbeterlijke snoozer met een baan in het donker. Of, nog veel erger, de buurman is de deur al uit en is vergeten dat zijn wekker op 4:15 staat. Dus een
heel uur lang krijg je hazesnoozejes waar je knetterchagerijnig van wordt.

En dan, als je in de allerheerlijkste armen van slaap valt, eindelijk, gaat na twee uur de wekker weer. 7:15, rise and shine!

Nee, een wekker is nauwelijks een vriendelijk ding. Sterker nog, ik vind de wekker een bruut en barbaars huishoudproduct, nauwelijks nuttiger dan een elektrische blikopener.

Ik pleit dus voor een ban op snoozen, op wakker willen worden tussen 01:00 en 07:00 en op vreslijke wekkergeluiden. En dat doe ik uit liefde voor mijn gezin, mijn collega's en iedereen die ik vandaag tegen ga komen. Sorry jongens, sorry voor mijn vreselijke mood. Ik geef de HEMA de schuld.

Oog op oog

Mijn oog, zo bleek gisterenmorgen op de Eerste Hulp van het OLVG, is het equivalent van een knie van een jongetje van zeven. Het zit vol met schaafplekken, met butsen en met builen. En dat is, als het om ogen gaat, nauwelijks een aanrader. De boosdoener van zoveel verdriet en ongemak? Mijn zachte Bausch en Lomb maandlenzen die een hazard in disguise bleken te zijn.

Want zachte lenzen, zo leerde ik vandaag, zijn heus niet zo prettig als ik altijd dacht. Gedoe met ogen komt nine out of ten times van zachte maandlenzen, liet de oogarts casual vallen. Ik vraag me af wie dat memo wél heeft ontvangen…

Maar goed, nu zit ik dus, als een kind met een lui oog, met een afgeplakt rechteroog. Onder zevenduizend lagen tape bevinden zich wat watjes en een hectoliter antibiotica om zowel een ontsteking te voorkomen én om het oog te genezen. Een prima oplossing, als je het mij vraagt.

Maar dat grote witte vlak op mijn gezicht is wel een uitdaging. Want ik zou er het liefst een heel groot oog op tekenen. Gewoon, lijkt me leuk. Een groot oog dat je aanstaart van achter mijn bril. Maar ik weet niet of je naast zoiets in slaap zou willen vallen. Of dat je met zoiets gezien wil worden. En of dat soort dingen eigenlijk nog wel kunnen op een 35 jaar oud gezicht.

Dus ik zit op mijn handen, tiep om mijn handen bezig te houden een logje, overweeg een kilo scoebidoetouwtjes aan te schaffen en verstop alle stiften in huis. Alles om mijn handen zinnig bezig te houden.Omdat het eigenlijk niet kan. Maar me o zo leuk lijkt.

Mijn zelfbeheersing is een groter probleem dan een beschadigd hoornvlies.

En dat is een ernstige constatering…

Periodiek Systeem der Valse Voorwendselen

Ik begon mijn middelbare-schoolcarrière halverwege de jaren 80. Dat betekent dat ik niet anders weet dan dat een slimme meid op haar toekomst is voorbereid. En in die tijd betekende dat Wiskunde! Natuurkunde! Scheikunde! Want met deze kundes was je klaar voor de toekomst en kon je alles worden wat je wil. Je kon alles regelen waar je zin in had. Je zou nergens een man voor nodig hebben, want je kon voor jezelf zorgen, je eigen volwaardige salaris regelen en de wereld aan je voeten hebben. Al dat moois dankzij het kiezen voor exacte vakken. Dus terwijl ik me suf blokte op formules en de stelling van Pythagoras, en me verdiepte in het Periodiek Systeem der Elementen, droomde ik van een wereld waarin de functie van mijn man zich zou beperken tot het zetten van thee en het masseren van mijn voeten. Want de rest, dat zou ik zelf wel regelen. Zo was het Postbus 51-verhaal, en zou de overheid je nou echt verkeerd voorlichten???

Maar nu, meer dan 20 jaar later, voel ik me alsnog bekocht. Want wat heb je aan Pythagoras als Excel honderd keer sneller is en wat heb je aan formules als Safari op de iPhone sneller is dan welke docent ooit? En hoewel ik inderdaad een man heb gevonden voor ongelimiteerd thee en voetmassages, heb ik het Periodiek Systeem der Elementen nooit ergens anders gebruikt dan in een potje triviant.

Want de dingen die je in het leven écht nodig hebt, die bleek ik niet te leren op de middelbare school (waarschijnlijk omdat daar, naast het Periodiek Systeem der Elementen, gewoonweg geen tijd meer voor was). Zoals hoe ik een wondje moest dichthouden van een huilend en bloed-gutsend kind waarop vervolgens een zwaluwstaartje geplakt moet worden. Of wat de beste manier is om je dochter op een verantwoorde manier om te leren gaan met Hyves en MSN. Of, zoals van de week, hoe ik een autoband moet vervangen voor een 'thuiskomertje' en je dan vervolgens niet op laten lichten door de kerels bij Kwik-Fit. Dát zijn de dingen waarmee je een meisje voorbereidt op haar toekomst. Dat je weet hoe je een wieldop moet lichten. Of welke kant die gruwelijke bouten op draaien. En waar precies de krik moet zonder je auto in tweeën te breken. Maar nee hoor. Dát moest ik dus allemaal zelf uitvinden. Helemaal in mijn eentje.

En dat deed ik ook.

Daar had ik dus helemaal geen man voor nodig.

in cirkeltjes

Er zijn -en dat is eigenlijk best prettig- diverse zekerheden in het leven: ik word blij van een goed boek; het wordt uiteindelijk heusch wel een keertje zomer en als je er op rekent dat het goed blijft gaan; gaat het uiteindelijk lekker toch fout. Dat lijkt haaks te staan op ‘het wordt uiteindelijk zomer’, maar deze redenering is een ingewikkeld soort rondverwijzing. Het WORDT uiteindelijk zomer maar als je daar te lang op rekent; -je voelt m aankomen- gaat het helaas ergens fout. Maar… Uiteindelijk wordt het toch wel zomer.

Nou ja.

Enzovoort.

En in de tussentijd lees ik graag een boek.

Zo lees ik nu, vanwege de broodnodige literaire factor, een tof roze boek* van Zadie Smith, dat me van harte werd aanbevolen, maar tot op heden niet kan raken. Daarnaast lees ik -puur vanwege de entertainment value- “Aantekeningen uit een groot land” van Bill Bryson, een man die me (al lees ik het verhaal voor de zevenhonderdste keer) nog steeds kan laten rollen van het lachen. Knap is dat, om zulke briljante absurde stukjes te kunnen schrijven. Stukken knapper dan het schrijven van een boek dat me niet raakt, hoe literair verantwoord ook…

Dus nu lig ik in bed, nog niet moe genoeg om te gaan slapen, omsingeld door Zadie en Bill. En allebei vragen ze aandacht. Ik kies voor literair worstelwerk. Omdat, als ik maar lang genoeg door strompel, het uiteindelijk heus zomer wordt.

Maar ja. We weten hoe dat uiteindelijk af zal lopen.

*het roze boek heet “Over schoonheid”. Mocht je het je afvragen.

vanavond chips

De vrouw in de Albert Heijn piept net voor me de rij in. Haar kar barstensvol met boodschappen. Ze heeft 70 kinderen die allemaal een maand komen logeren, schat ik zo in.

Ik slof achter haar aan en sluit aan in de rij. In mijn linkerhand een zakje nibbits, in mijn rechterhand 95 eurocent. Ik maak het een cassiere graag makkelijk.

Als de vrouw begint uit te laden, kijkt ze me aan. Ze kijkt alsof het MIJN schuld is dat zij al die boodschappen moest halen. Dat IK die zeventig kinderen stuk voor stuk heb uitgenodigd. En dat het door mij is dat ze nu vierhonderd liter melk moet halen. Ik glimlach vriendelijk. Misschien, zo bedenk ik mij, mogen ik en mijn nibbitjes wel even vóór haar en haar vier kilo kaas.

Ik krijg weer die boze blik. De cassiere vraagt of ik het bordje wil neerzetten achter mij. De kassa zal na mij sluiten. Tuurlijk wil ik dat. Ik ben keurig, ik ben beleefd en niet te vergeten; ik heb maar 1 boodschap en het geld op maat.

Na de melk, de kazen en achtduizend broden, na veertien kilo wasmiddel en ongeveer negenenvijftig kuipjes boter, ziet de vrouw mijn linkerhand. Een zakje nibbits hou ik aan de linkerbovenhoek vast. Ze ziet het. Ik zie dat ze het ziet. Maar ik krijg weer een blik (sorry, wil ik schreeuwen. Sorry! Maar doe dan ook normaal boodschappen! Of neem dan niet zo achterlijk veel kinderen! Maar ik zeg niets. Ik laat de blik -heel tefal- van me af glijden).

Als de laatste boodschap is gescand en ze voor zevenmiljard driehonderdvierentachtigmiljoen zeshonderdtweeenveertigduizend negenhonderdzevenentwintig euro en zestien cent heeft gepind, stap ik voor de cassiere. We lachen naar elkaar, we begrijpen elkaar direct.

“Is dat alles?” lacht ze me toe. Ik knik, en overhandig haar mijn air miles en bonus en leg mijn 95 cent op het plankje. De vrouw legt haar 23e zak met appels weer terug in haar karretje.

Ik pak mijn nibbits, de bon en mijn kaarten en bedank de cassiere. We wensen elkaar een fijne dag.. Ik glimlach naar de vrouw die bozer en bozer wordt en is begonnen om vierenzeventig flessen cola in haar karretje te stampen. Ik zeg niets, boek een morele overwinning voor goed fatsoen en loop de Albert Heijn uit.

Fck.

Brood vergeten.

Blog in business

Een paar maanden geleden had ik een gesprek bij een headhunterachtig bedrijf. De mevrouw was vriendelijk, begripvol en bovenal heerlijk open en behoorlijk ‘blunt’. “Tsja”, verzuchtte ze halverwege het gesprek, “je moet alleen wel je blog opgeven. Dat is natuurlijk wel veel professioneler”. Ik hapte naar adem, dat nooit!

Ik legde haar uit dat mijn blog mezelf is, de zomerkant. Dat ik schrijven zo fijn vind en dat ik niet voor niets zes jaar al ploeterde, mijn hoofd standaard in qwerty-stand en mijn zinnen ingericht op een blogwaardig bestaan. Schrijven hoorde bij mij en zonder zou ik me op zeker ongelukkiger voelen.

Bovendien, zo legde ik haar uit, dit blog; dat ben ik niet. Ik hou me verre van echt persoonlijk, ik ben luchtig en oppervlakkig online, nauwelijks te herleiden naar de echte mij. Ik publiceer amper over mijn echte prive of professionele leven en het moet wel een Uri Geller zijn, wil een baas denken dat hij na het lezen van mijn blog weet wat ie in huis haalt. En trouwens, voegde ik als laatste toe; zo’n baas wil ik dus niet.

En daarmee was het onderwerp ‘opgeven blog’ wat mij betreft van tafel.

Het gesprek verliep verder voorspoedig en toen ik naar huis reed was het onderwerp zelfs al uit mijn hoofd. Opgeven van Zuidwesther zou een onmogelijke opdracht zijn.

Maar toen kreeg ik een baan. Een leuke, bij een leuk bedrijf met leuke collega’s. En in plaats van de hele dag achter de geraniums met ATWT op de achtergrond, ging de wekker vroeg, dronk ik weer koffie, vergaderde ik weer over ‘t een en ander en voor ik het wist stond mijn blog weer stil. Daar ga je dan met je goede gedrag. Zo bleek de uitdrukking ‘bloggen hoort echt bij mij’ niets meer dan loze woorden. Of bleek dat al mijn avonturen ook in slechts 140 tekens verpakt konden worden.

Ik keek al weken niet meer of ik reacties had op mijn lapjes tekst. Ik hield de statistieken niet meer in de gaten. Ik dacht niet meer in mooi lopende zinnen, in vloeiende bijzinnen of kekke punchlines. Mijn hoofd dacht slechts aan Twitter en daarmee uit.

En hoe jammer is dat? Ik werd onlangs 6,5 en dat is onopgemerkt voorbij gegaan. Op mijn zesde kreeg ik een kado, ik postte een stukje en de wereld was mooi. Een half jaar later lag er duimendik stof en bleek de dag anoniem te verlopen. De verjaardag that never was…

En dat mag niet meer gebeuren. Mijn blog hoort bij mij zoals het dagboek bij Anne (om maar even een mooi actueel bruggetje te maken). Hoe onopgemerkt ook, dit is mijn internetlandje, waar ik vrolijk doorheen huppel en me niets aantrek van dikke lagen stof of statistieken die onnodig lijken. Ik veeg het stof er af, ik schud de dekens op. Ik ben mijn eigen Vrouw Holle en mevrouw Helderder ineen. Mijn hoofd leer ik weer aan te onthouden, de verhalen te verpakken in vloeinde zinnen, vol bijwoorden en van overdrijven niets vreemd. Want ik ben het, dit blog. Ik ben hier de huppelende, oppervlakkige, casual versie van mezelf. Maar toch, hoe dan ook: mezelf. Back in business!

Net als fietsen

Bloggen is net als fietsen. Echt verleren doe je het niet, maar je moet het wel een beetje bijhouden. Anders vergeet je de finesses en, ook niet onbelangrijk; dat fietsen een optie is.

Zo staat, om de vergelijking maar even door te trekken, mijn mooie rode fiets al een tijdje bij een vriendinnetje in de schuur. Daar is het zeker niet bij de hand en dus spring ik voor elk wissewasje in de auto. En zo is het met jou, mijn allerliefste en zeer gewaardeerde lezer, ook. Ik kies voor elk wissewasje voor Twitter of voor een smsje naar iemand die mijn grapje, gedachte of binnenpretje vast wel op waarde weet te schatten. En soms vergeet ik de optie van bloggen. Shame on me.

Maar goed, net zoals ik vandaag mijn fiets weer ga halen, zo start ik ook mijn blogjesmodus weer op. Het zal nog een beetje wiebelig zijn in het begin, maar als ik maar blijf trappen (ogen op de weg!), komt het vast wel goed. En zwerf ik, voor je het weet, weer soepel en vol zelfvertrouwen, langs allerhande onhandige obstakels en over mooie zachtzwoel verlichtte paadjes.

Zowel on- als offline.

Ietwat noodgedwongen, maar niet helemaal onvrijwillig, breng ik de laatste tijd meer dan gemiddeld door in Amsterdam. En voor wie het nog niet wist… Ik háát Amsterdam. Ik haat trams die moeiteloos en luidbellend in je dode hoek opduiken. Ik haat fietsers die denken dat de wereld, en daarmee dus ook het midden van de straat, van hen zijn. Ik haat de mentaliteit van de grote stad, van de mensen die haar bewonen, allemaal met een verwaande uitstraling die ze lenen aan het wonen in een wereldstad. Hoe fantastisch ze zijn, omdat ze toevallig elke avond slapen in een stad die over de hele wereld bekend is. Ik weet het natuurlijk niet van elk dorp, maar in het vissersdorp Huizen heeft niemand daar last van. Hoogstens een verhoogd zelfvertrouwen dat je krijgt omdat je een dorp in het Gooi bent. Maar verder; niemand haalt het in zijn hoofd midden op de Ceintuurbaan te gaan fietsen, gewoon omdat het kan. En helemaal niemand loopt met een beker hyperfancy koffie over straat alsof hij zojuist uit een aflevering Ally mcBeal is gestapt.

Oke, oke, het heeft ook nadelen. In mijn dorp, het vissersdorp dus, heb je precies één behoorlijke pizzabakker. Er is een goede toko, met meer dan acceptabele roti, en er is een chinees die je met plezier een brommertje stuurt. Maar dan heb je het wel gehad. De Albert Heijn is er uiteraard niet op zondag open (zelfs niet een paar uurtjes) en voor een Big Mac moet je toch echt het dorp uit. In Amsterdam daarentegen zit om de hoek een rotiboer met heel fijne roti. Daartegenover een toko (met echt heel lekker eten) en om de hoek haal je een Sundae met chocola en nootjes. En, eerlijk is eerlijk, met de tram ben je in no-time aan de andere kant van de stad,