Een rij met solidariteitsbeginselen

Vacuum Ik wil niet. Ik wil niet, ik wil niet.

Maar toch sta ik hier. In de winkel die wat mij betreft het equivalent is van Hell on Earth; de Blokker.

Ik moet stofzuigerzakken hebben en hoezeer ik me ook verzet; daarvoor moet een mens nou eenmaal naar de Blokker. Thuis heb ik dapper een foto gemaakt van de stofzuiger om merk en model niet te vergeten. Ik ben goed voorbereid omdat ik zo min mogelijk tijd wil doorbrengen in dat hellegat.

Naast het kassablok hangen vierentwintig modellen stofzuigerzakken min of meer netjes naast elkaar. (Het lijkt me trouwens geen gek idee om stofzuigerzakken, net als mobiele telefoonladertjes, te standaardiseren. Maar ik weet niet of ze daar in Brussel wel oog voor hebben. Dat zou wel moeten, eigenlijk.) Hoe dan ook; ik heb een speciale versie, een speciaal model en deze zak bevindt zich links boven in het rek. Een gammel krukje zorgt ervoor dat ik hoog genoeg kom om de zak te pakken. Achter mij vormt zich een rij…

Die rij, zo blijkt, is niet speciaal voor de stofzuigerzakken, maar voor een kassa. Natuurlijk is er slechts één kassa open en natúúrlijk wordt deze bemand door een stagiaire van de School Voor Meisjes Met Het IQ Van Een Bloemkool. Het Bloemkoolmeisje doet haar best, maar de rij groeit harder dan zij kan bijbenen en de meneer voor me vergeet van weeromstuit zijn pincode, nou ja… je ziet het voor je.

Ze roept de hulptroepen.

Vanuit het kantoortje komt een vrouw aanlopen die snel de andere kassa opent. Wat je dan altijd krijgt bij dit soort dingen is dat zich twee rijen gaan vormen, wat uiteindelijk de minst eerlijke versie is van een rij. De paar mensen die voor me staan doen iets waar ik zelf altijd heel blij van word; ze kiezen voor het Efteling model. Dit houdt in dat er één rij blijft staan maar dat de eerst volgende aan de beurt is bij de eerste kassa die beschikbaar is. Een rij met solidariteitsbeginselen. 

Dat gaat maar een tijdje goed.

Want wij, de eerste generatie rij-slachtoffers, wij houden ons aan het Efteling-principe. Maar dan komt er altijd zo'n Goois Type aanzetten die denkt "He! Die rij is wel bijzonder kort, in vergelijking met die andere! Best raar. Maar weet je wat? Ik neem lekker die korte rij."

Waarop ik altijd mijn protest kenbaar maak.

Wat dus niet subtiel gaat als ik me bevind in de donkere spelonken van de Hel Blokker.

Wat dus niet zo lekker valt bij het Gooise Type.

Want zij ziet gewoon een korte rij en een snelle escape de Blokker uit. En bovendien vermijdt ze dan het Bloemkoolmeisje. Dus als ze daarvoor mij één of ander bitchy antwoord moet geven, en haar allernaarste ik-snap-wel-wat-je-zegt-maar-dat-doet-me-lekker-niets-gezicht moet opzetten; zal ze dat niet nalaten. Ze zal vast, mocht het nodig blijken te zijn, haar gemanicuurde nagels in de banden van de rollator achter me zetten, haar keurig donkerblauw gekleed kind in de strijd werpen, haar Burberry-Look-A-Like boodschappentas achterlaten, alleen maar om te zorgen dat ze zo rap mogelijk buiten kan staan.

Ze heeft gelijk. In de diepe duistere narigheid van de Hel heb je niets aan solidariteit.

 

Het heeft iets triests. In een (lange) rij staan wachten tot iemand zijn naam krast in één van je favoriete boeken. Maar het heeft ook iets prettigs om een auteur zijn eigen boek te laten signeren. 
Hoe dan ook; John Green, schrijver van mijn favoriet 'Looking for Alaska', signeerde vandaag in Amsterdam. En hoewel ik tijdens de signeersessie me vooral heel sneu voelde, als een verlopen groupie bij een onuitverkocht concert, nu ben ik er stiekem toch blij mee en trots op. Mijn eigen Looking for Alaska. Gesigneerd door John himself. 
Maakte het een goede donderdag!

Meisje

Elf is ze. Als ze me aankijkt, van onder haar perfect vallende pony, zie ik kleine spoortjes mascara op haar wangen rusten. Haar gespierde benen steken slungelig onder haar pyama uit.

"Ik kan niet slapen".

Het is kwart over tien, en dat is -vakantie of niet- te laat voor meisjes van elf. Die moeten slapen, hun haren engelachtig over hun kussen gedrapeerd. Dromen van spannende avonturen en doelpunten in oranje (tegen Argentinie). Waar dromen meisjes van elf eigenlijk van?

Ik stuur haar terug naar bed. "Neem een boek, grijp je MP3, verzin een verhaal. Maar wat je ook doet; niet hier". Maar ze heeft het al besloten, en haar hele lijf is het met haar eens. Ze kan tóch niet slapen. Stamp. Boos. Onbegrepen.

Alsof slapen zo'n gemakkelijke bezigheid is.

Maar ik ken haar een beetje. Ze valt straks als vanzelf in slaap. Zodra de vastbesloten blik uit haar ogen is getrokken, vallen ze vanzelf dicht. En dan ga ik kijken naar mijn kleine, koppige miniprinses en dan ligt ze daar als een engeltje dat al vanaf half 8 in deze ontspannen houding ligt.

Die vastbeslotenheid van haar, daaraan zal ze later nog best plezier beleven. Maar als ik er íets van mag vinden.. Nu nog even niet. Liever.

Schrijven

Nooit had ik ooit de ambitie om schrijver te worden. Woorden moest je vooral lézen, niet spellen. Juf, topmodel of binnenhuisarchitect was mijn bescheiden wensenlijstje. En rijk. En moeder.

Juf heb ik een tijdje geprobeerd; dat was nauwelijks een succes te noemen. Hoewel het me beviel voor de klas, had ik vooral last van de leerlingen; ze vroegen me dingen waar ik geen antwoord op had, en dat is voor deze baan nauwelijks een aanbeveling. En op veel vragen (“Hoe vermenigvuldig je breuken?” “Eh, kruislings?”) heb ik nog steeds geen antwoord. 

Voor topmodel was ik, obviously, niet in de wieg gelegd en mijn binnenhuisarchitectonische aspiraties pas ik toch bij voorkeur op kleine schaal toe. Hoewel met veel enthousisasme, er is in mij geen Nate Berkus of Laurence Llewelyn-Bowen verloren gegaan.

Maar nu ben ik dus schrijver. Officieel. Naast mijn werk als Directiesecretaresse Extraordinaire (dit is vooral mijn eigen omschrijving) mag ik ook onder werktijd artikelen schrijven, met Facebook spelen en Twitter bekijken. Ik overweeg zelfs om werkgerelateerde blogjes te gaan produceren. Maar goed. Je kan ook overdrijven.


Nanowrimo_participant_06_100x100 Ik heb mijn ambities van vroeger maar weer eens afgestoft. Moeder ben ik al. Dan blijft alleen de volgestorte bankrekening nog over. Ik betwijfel of mijn daytime job dat voor elkaar kan krijgen. Vandaar dat ik me weer heb opgegeven voor de Nanowrimo. Een maand lang, in mijn eigen vrije tijd, schrijven, ploeteren en nog meer schrijven. Keihard en onomzichtig tiepen om uiteindelijk een meesterwerk op te kunnen leveren. De Nederlandse Jonathan Franzen, de nieuwe Heleen van Rooijen, de Agatha Christie van de 21e eeuw zal ik worden. Het is mijn derde Nanowrimo-poging op rij. Nu bén ik schrijver, nu is ook mijn werktijd gevuld met letters, interpunctie en witregels. 

Nu maar hopen dat dat helpt.

Enjoy the Silence

De jongen in de trein is stoer. Cool. Zijn haar is Justin Bieber, zijn broek precies casual genoeg voor een vrijdag. Zijn shirt is hip, maar klassiek. Zijn jasje mooi en perfect passend. En hij ruikt lekker op precies de juiste bescheiden manier. Deze jongen heeft de wereld aan zijn perfect geschoeide voeten.

Als ik een bescheiden, maar grappig -zonder irritant te zijn- piepje hoor, grijpt hij casual, onopvallend zelfs, naar zijn telefoon. 'Hallo lief schatje' dweept hij naar de beller. Zijn stem is onmogelijk hoog en schril. Zijn dochter, hoop ik in mezelf, hij praat kinderlijk tegen zijn dochter. Maar nee. Zachtjes maar onaangenaam hoog stuurt hij verstopte onzedelijke woorden naar het schatje.

In geen geval zijn dochter.

Eerder een minnares. Zulke taal is voorbehouden aan geheimen. Als hij uitstapt, kijk ik hem na. Teleurgesteld.

Mensen zijn meestal leuker als ze niets zeggen.

Omgekeerd rokjesdag

Natuurlijk; zodra de zon ook maar één dag zorgt voor een temperatuur bóven de 15 graden, trekken volksstammen vrouwen de wereld in met rokjes en blote benen; precies zoals Martin Bril het had beschreven: Rokjesdag. Een prachtig fenomeen met een eigen leven. Wanneer het ook maar líjkt te zomeren buzzt twitter in alle toonaarden. Het is RÓKJESDAG. 

We zijn een raar volk.

Maar nu? Wat doen we nu de dagen grondig korter worden, de temperatuur met een rotgang lijkt te dalen en alle rokjes alleen nog naar buiten gaan gecombineerd met een warme legging of 100.000 dernier panty's? Wat doen we als alle zomerrokjes eenzaam en verdrietig in de kast blijven liggen, denkend aan sluimerende zomeravonden, aan opbollende zomerbriesjes en aan slippers of sandalen? 

Uggs Bestaat er zoiets als omgekeerd rokjesdag?

Het lijkt me dat we zo'n dag nodig hebben. Zo'n dag waarop we massaal aan de maillots gaan, zonder van te voren een teken, dat we ineens kiezen voor uggs in plaats van ballerina's, dat ons favoriete accessoire een wollen sjaal is geworden en dat we kiezen voor mutsen, voor dikke sokken en voor een kol in plaats van spaghettibandjes.

Het is een dag die net zo mijlpaal is als rokjesdag. Alleen is het downhill from there. Vanaf Omgekeerd Rokjesdag is het praktisch kerstmis. Vanaf Omgekeerd Rokjesdag is het tijd om je barbecue achter in de schuur te parkeren en je dubbele winterdekbed in de hoeslakens te schuiven.

Maar er bestaat niet zoiets als Omgekeerd Rokjesdag. Omdat, in tegenstelling tot rokjesdag, het vooruitzicht niet gezellig, zomers en rooskleurig is. Rokjesdag is het begin van een nieuwe en lichte wereld. Omgekeerd Rokjesdag is de start van het donkere einde, een opmaat naar het lange wachten tot de kerstdagen voorbij zijn en het lekker weer rokjesdag wordt.

En dat is maar goed ook. Want als het zou bestaan, zou het vandaag zijn. Omgekeerd Rokjesdag. Fijne kerstdagen allemaal!

Verloren blogje

Ik werd ineens weer geconfronteerd met een blogje dat plotsklaps op kwam borrelen. Op een heerlijk onmogelijk moment. Hé, dacht ik, terwijl ik mijn laatste avontuur overdacht, dat is een potentieel leuk blogje. Maar het kwam bovendrijven terwijl ik de bocht van de A16 naar de A59 nam, in de regel niet het meest geschikte moment om te bloggen. Vooral niet als je aan het stuur zit.

En daarnaast had ik ook behoorlijk last van een comateuze telefoon, waardoor het er allemaal niet makkelijker op werd. En hoewel ik in het vakje naast me keurig een werkende pen en leeg notitieblokje had opgeruimd (behoorlijk old-skool, maar it does the trick), ik zag het niet zitten om die gedachten om te zetten in een blogje. Straks, hield ik mezelf voor, als ik er ben.

Maar zo pakte het natuurlijk uiteindelijk niet uit en ook dit blogje ging verloren op de A27.

En nu, nu ik achter een werkende laptop, met werkende internetverbinding, nadenk over het blogje, op een werkelijk zéér geschikt moment, nu wil het niet komen.

Zul je altijd zien.

Omgekeerd rokjesdag

Natuurlijk; zodra de zon ook maar één dag zorgt voor een temperatuur bóven de 15 graden, trekken volksstammen vrouwen de wereld in met rokjes en blote benen; precies zoals Martin Bril het had bedacht. Rokjesdag. Een prachtig fenomeen met een eigen leven. Wanneer het ook maar líjkt te zomeren buzzt twitter in alle toonaarden. Het is RÓKJESDAG. 

We zijn een raar volk.

Maar nu? Wat doen we nu de dagen grondig korter worden, de temperatuur met een rotgang lijkt te dalen en alle rokjes alleen nog naar buiten gaan gecombineerd met een warme legging of 100.000 dernier panty's? Wat doen we als alle zomerrokjes eenzaam en verdrietig in de kast blijven liggen, denkend aan sluimerende zomeravonden, aan opbollende zomerbriesjes en aan slippers of sandalen? 

Uggs Bestaat er zoiets als omgekeerd rokjesdag?

Het lijkt me dat we zo'n dag nodig hebben. Zo'n dag waarop we massaal aan de maillots gaan, zonder van te voren een teken, dat we ineens kiezen voor uggs in plaats van ballerina's, dat ons favoriete accessoire een wollen sjaal is geworden en dat we kiezen voor mutsen, voor dikke sokken en voor een kol in plaats van spaghettibandjes.

Het is een dag die net zo mijlpaal is als rokjesdag. Alleen is het downhill from there. Vanaf omgekeerde rokjedag is het praktisch bijna kerstmis. Vanaf omgekeerde rokjesdag is het tijd om je barbecue achter in de schuur te parkeren en om voor je dubbele winterdekbed in de hoeslakens te schuiven.

Maar er bestaat niet zoiets als omgekeerde rokjesdag. Omdat, in tegenstelling tot rokjesdag, het vooruitzicht niet gezellig en rooskleurig is. Rokjesdag is het begin van een nieuwe en lichte wereld. Omgekeerd rokjesdag is de start van het donkere einde, een opmaat naar het lange wachten tot het weer rokjesdag wordt.

I Amsterdam?

Laat ik eerst zeggen dat Amsterdam en ik geen vrienden zijn. Nooit geweest ook. Amsterdam is de stad waar ik vroeger noodgedwongen naartoe moest toen ik trouw was aan de mascara van de Bijenkorf (5 gulden. Geen geld!) en van Jo Ritzen 'gratis' mocht reizen. Maar voor geen andere reden ging ik vrijwillig die stinkende, onaardige, overbevolkte en behoorlijk overdreven stad in. In de stad waren de mensen raar, ze deden illegale dingen en voor een keurig meisje uit het bosrijke Gooi was het er gelijk aan Sodom en Gomorra. Ik nam mijn vijf gulden briefje in mijn linkerhand en een paraplu in mijn rechter. Zo kon niemand mij beroven (op klaarlichte dag! Dat gebeurde!) en ik kon mezelf verdedigen tegen allerlei verdachte types.

Met nog geen honderd paarden…

Maar toen ik vorig jaar een Liefde kreeg in de hoofdstad, en mijn broertje er besloot te gaan samenwonen was het onvermijdelijk. Amsterdam en ik zagen elkaar steeds vaker. Langzaam maar zeker zag ik de schoonheid in van maanverlichte grachten, van de meest diverse mensen bij elkaar en ook vanuit de auto vervloekte ik steeds minder vaak de willekeurig slingerende fietsers, de parkeerpolitie en onmogelijke wegafzettingen. Je zou kunnen zeggen dat ons verstandshuwelijk begon te werken. Er was nog steeds geen liefde, er was geen passie, geeneens een diepe vriendschap, maar we begonnen aan elkaar te wennen. We tolereerden elkaar steeds beter. 

Ik leerde (door schade en schande) de tips en tricks om zo voordelig mogelijk te parkeren, ik leerde spontaan en tijdelijk de beste vrienden te worden met de mensen op de markt en ik zag soms -als de zon scheen en de mensen vriendelijk waren- de vrolijke en fijne kant aan het leven in de grote stad. En alle duistere types hielden zich uiteindelijk nooit rond mij op, dus de paraplu verdween langzaam maar zeker uit mijn standaarduitrusting.

QP Dus toen ik afgelopen zondag blij wandelend onderweg was naar een maaltijd van twijfelachtig allooi, mijn handen in mijn zakken, mijn hoofd hoog en met rustige tred, merkte ik dat ik stiekem een beetje genoot van langsrijdende fietsers, luisterend naar flarden gesprekken, de zon achter de hoge huizen gezakt. En toen ik werd aangesproken door twee mensen, onzeker sprekend, een paraplu in de rechterhand, die me bedeesd vriendelijk vroegen wat toch de snelste weg was naar de Albert Cuypstraat, voelde ik me ineens één van hen. Ik wist de weg (na 20 meter naar links) en ik voelde me trots dat ik werd aangezien als een Inwoner. Als iemand die wist hoe het werkt in de stad. En niet meer als het Gooise meisje met mascara van de Bijenkorf.

Terwijl ik lichtverend terugwandelde met een maaltijd voor twee, intern nog intens genietend van mijn glorieuze overwinning op de stad en mijn integratie als wereldburger, werd ik bijna omver gereden door verse studenten op de fiets, nog wennend aan de valkuil die een trambaan is. Ik werd op een nare manier nagekeken en ik miste ineens, in een flits, heel erg, mijn paraplu in mijn rechterhand. En toen wist ik het weer; hoe hard de stad ook zijn best doet; verstandshuwelijk. Meer zal het niet worden.